De taal van identiteit

Door Jackie Carreira, Engeland

Er is een (Engels) gezegde dat luidt: ‘Gelijk een vogel zingt zoals hij gebekt is, zo is een mens gekend door wat hij zegt.’ Wat betekent dat? Hoe bewust zijn we ons van onze gesprekken? En waarom zou dat van belang zijn?

Een belangrijke vingerwijzing voor iemands identiteit, is taal en taalgebruik. Denk maar eens aan hoe belangrijk deze waren bij de transformatie van Eliza Doolittle, van straatmeid tot dame, in ‘My fair lady’. We kunnen ons makkelijk verkleden, ons haar knippen of zelfs van naam veranderen om een nieuwe identiteit aan te nemen. Onze manier van spreken veranderen vergt niet alleen veel inspanning, het spreekt ook boekdelen over ons en waar we vandaan komen.

Onze moedertaal geeft de eerste indicatie, gekoppeld aan een accent of dialect. Die dialecten zijn zo specifiek, dat een bekwaam taalkundige niet alleen kan zeggen uit welke stad of dorp iemand komt, maar zelfs of hij aan de noordkant dan wel zuidkant opgroeide. Waarom is dat zo? Waarom spreken niet alle Engelsen met hetzelfde accent? De hint hiervoor zit in de aard van het land zelf. Niet toevallig gebruiken Britten die in gebieden wonen waar het landschap zacht of rond is, zoals in Norfolk of Somerset, ronde of zachte klinkers. In bergachtige gebieden, zoals in Schotland of Noord-Wales, hebben geluiden scherpere pieken of dalen, net als het land.
Er zijn voorbeelden van over de hele wereld waar dezelfde taal enorm verandert onder invloed van de plaats waar het gesproken wordt. Zo klinkt Engels in Australië, Amerika of Zuid-Afrika als een andere taal.
Een leidraad geeft het woord zelf: ‘Taal’ is feitelijk een ‘Laat’, zowel inlaat als uitlaat, als een aanwijzing aan wie wat dieper wenst te zoeken, over hoe we de aard van het land waar de taal of het dialect leeft ‘vertalen’, onder invloed van hoe het de aarde ‘verlaat’.

Dat beïnvloedt ons niet alleen terwijl we opgroeien en leren spreken, maar als we verhuizen naar een andere plek raken we er op den duur ingeburgerd door hoe we spreken. Vraag maar aan een Nederlander die al twintig jaar in New York woont.

Dit lijkt een voor de hand liggende aanwijzing tot onze identiteit en het is een belangrijke, maar externe invloed. Natuurlijk kunnen we ons accent veranderen en verfijnen door training en voordrachtskunst en sommige mensen hebben aanleg voor het imiteren van dialecten van verschillende plaatsen, maar er is een diepere identiteitsindicator die niet zo gemakkelijk valt na te doen en dat is ons taalgebruik.

Bijna vanaf het moment van geboorte uit zich de drang om te communiceren. Eerst leren we vanuit noodzaak woorden die het belangrijkst voor ons zijn: ‘eten’, ‘mama’, ‘plassen’, enzovoort. Elk woord is belangrijk, omdat we precies moeten uitdrukken wat we willen zeggen. Maar zodra we die basis onder de knie hebben en onze formele opvoeding voltooid is, houdt taal op voornamelijk een externe invloed te zijn en wordt het in plaats daarvan een selectieve identiteitskeuze – of we ons daar bewust van zijn of niet. Op dit punt lijkt precisie, wonderlijk genoeg, minder belangrijk te worden.

Tegenwoordig heeft de gemiddelde persoon een woordenschat van ongeveer 10.000 woorden. Daarvan gebruiken de meeste mensen er 1.500 regelmatig en dat aantal neemt de laatste jaren af, hoewel opleiding en scholing toegankelijker zijn dan ooit. De filosoof Wittgenstein zei eens: ‘De grens van mijn taal is de grens van mijn wereld.’
In de menselijke historie is spraak het eerste voertuig geworden om te communiceren wie we zijn en wat we voelen. Daarom is de kwaliteit en diepgang van onze expressie grotelijks afhankelijk van hoe we het verwoorden. Hoewel spraak niet het enige middel tot menselijke uitdrukking is, is het een vitaal middel. Stel je voor dat je als enige op aarde een bepaalde taal sprak. Er zou niemand zijn om ervaringen mee te delen of om vragen aan te stellen. De eenzaamheid zou moeilijk te dragen zijn. Zelfs mensen die niet kunnen spreken hechten grote waarde aan het gebruik van gebarentaal.

Toch beperken we ons steeds door ons taalgebruik. Woorden zijn er om gedachten en gevoelens juist weer te geven – als we weten hoe we ze moeten gebruiken. Een oogverblindende zonsondergang kan ‘aardig’ of ‘prachtig’ zijn. Het hangt allemaal af van hoe accuraat iemand verkiest te omkleden wat hij voelt en dat bepaalt de afstand tussen zijn innerlijk en de identiteit aan de buitenkant.
Waarom kiezen we de woorden die we kiezen? Vragen we ons af wat we teweeg willen brengen voor we onze mond openen?

Goed leren converseren kost tijd en moeite; zelfs als je dagelijks een nieuw woord leert zijn er genoeg om je een leven lang bezig te houden. En als het woordenboek tekort schiet om echt te zeggen wat we voelen is er altijd de mogelijkheid om nieuwe taal uit te vinden, zoals Marten Toonder deed. Hoe beschreven we ooit een ‘denkraam’, voordat hij het woord uitvond?

Woorden zijn als kameleons die de kleur van de spreker weerspiegelen. Wellicht wil je eens wat je zegt en waarom je het zegt onder de loep nemen en je afvragen: is dit wie ik echt wil zijn? Wat wil ik echt zeggen?

top of page
Copyright 2001-2014 De Template Stichting, alle rechten voorbehouden.

Deze pagina is geprint d.d. vrijdag, 31 oktober 2014
van http://www.templatenetwork.org/topaz/14/nl/14.html

Uw aanmeldingen, brieven, vragen en adreswijzigingen kunt u sturen naar:

Template Stichting
T.a.v. Topaz
Wassenaarseweg 75/210
2223 LA  KATWIJK (ZH)
 
Telefoon: 071 - 514 0152
Telefax: 071 - 514 4382
E-mail: topaz@template.nl
Website: www.template.nl