In naam van identiteit - Over de opkomst van de narren

Door Sander Funneman, Nederland

Dit is een verslag over een tijd ergens in het verleden of misschien wel in de toekomst. Niemand wist precies welk jaar het was. In ieder geval was het een tijd van dramatische veranderingen. Een tijd ook waarin een goed georganiseerde infrastructuur van narren ontstond, die de landelijke en lokale leiders het vuur na aan de schenen begon te leggen.

A JesterNet voor die veranderingen kwamen heersten er vreemde machtsverhoudingen. In die tijd ging bijvoorbeeld ‘gelijk hebben’, vaak gepaard met de functie van een persoon en niet met steekhoudende argumenten of gegronde redenen. Die manier van denken dreef mensen ook om heel graag gelijk te willen hebben. Wettelijk vastgestelde titels, zoals advocaat, directeur, voorzitter, notaris, president, enzovoort, bepaalden de kracht van het gelijk. Maar of zij ook wezenlijk gelijk hadden, verschilde van moment tot moment. Het ging meer om het effect van het gelijk hebben dan om de realiteit ervan. Het misleidende bestond erin dat de publieke opinie soms massaal zo genoemde ‘belangrijke mensen’ een leven lang gelijk gaven, zonder zelf over het onderwerp na te denken. De narren brachten daar echter verandering in.

En de eerste die het ‘levenslange identiteitsbewijs voor gelijk hebben’ met succes ter discussie stelde was de stadsnar van Utrecht. Dit is zijn verhaal en erna zou niets meer hetzelfde blijven.

In een van de heetste zomers van de eeuw werden de filosofen, wijzen, senatoren, rechters en politici van het land door het Hof ontboden om een zaak te onderzoeken die door de stadsnar van Utrecht was veroorzaakt. Het ging om een voor die tijd zeer ernstige zaak. Hij had namelijk in een populair praatprogramma toegegeven dat hij tijdens zijn werkbezoek aan meerdere steden in het land, onder andere in Utrecht zelf, maar ook in Den Haag en Den Burg, het volgende had verkondigd: “De zogenaamde wijzen van dit land zijn onwetend en verward. Zo weten zij bijvoorbeeld niet eens wie zijzelf zijn en dus kunnen zij ook niet weten waarover zij praten. Zij zeggen dingen die belangrijk lijken maar dat niet zijn, althans niet voor onze wezenlijke levenskansen.” Of woorden van gelijke strekking. Het gevolg was dat hij werd beschuldigd van het ondermijnen van de staatsveiligheid.

Toen de parlementaire en buitenparlementaire commissies onder leiding van de koning een klein kasteel even buiten Utrecht in gereedheid hadden gebracht, begonnen de verhoren van de stadsnar door een waarheidscommissie.

Aan het begin van de eerste dag richtte de koning zich tot de stadsnar en zei: “U mag als eerste spreken,” waarna de nar onmiddellijk het woord richtte tot de bode met het verzoek om pennen en papier te brengen. Deze werden gebracht.

Achter de grote eikenhouten tafels in de Ridderzaal, waar het proces plaatsvond, zaten zeven afgevaardigde geleerden: vertegenwoordigers van wetenschap, kunst & cultuur, de wet, de staat, de politiek, de vakbonden en de bedrijven. De sfeer was grimmig. Maar de nar liet zich er niet door intimideren en zei vriendelijk glimlachend tegen de bode: “Zou u zo nu zo vriendelijk willen zijn om aan elk van de zeven hooggeachte aanwezigen achter de tafel een vel papier en een pen te geven?”.
Daarna vervolgde de nar zijn instructies: “Graag zou ik mijn aanklagers willen uitnodigen antwoord te geven op de volgende vraag: waarom is het zo belangrijk voor ieder mens om een identiteit te hebben?” Hij zei dit met veel gevoel voor drama, terwijl hij wees naar de rij naambordjes met indrukwekkende titels op de tafel voor de leden van de commissie.

Er ontstond groot tumult onder de hoge afgevaardigden, maar na een gebiedende hoofdknik van de koning deden zij wat er van hen gevraagd werd. De sfeer was om te snijden. Met tegenzin begonnen de zeven hun opdracht uit te voeren. Morrend, omdat zij het gevoel hadden dat niet de stadsnar van Utrecht maar zijzelf nu in de beklaagdenbank zaten. Toen ze klaar waren werden de bladen aan de koning overhandigd en hij las ze een voor een voor.

Op het eerste stond: “Een vaste identiteit dient ervoor om te bewijzen dat men de persoon is waarvoor men zich uitgeeft.”

Op het tweede: “Identiteit geeft eenheid van wezen, waardoor het wezen niet het idee zou kunnen opvatten om zich te gaan bedienen van de vrijheid van meerdere identiteiten, waardoor deelname aan het economisch proces moeilijk zou worden.”

Op het derde: “Identiteit is het bewustzijn van eigenheid, zodat niemand zich teveel met iemand anders zal inlaten. Een geordende samenleving bestaat bij gratie van persoonlijkheden met een sofi-nummer en een paspoort.”

Op het vierde: “Identiteit is het anker voor maatschappelijke status. Zonder identiteit is bezit niet te koppelen aan een persoon. Zonder identiteit wordt het geld op de bank onbruikbaar, worden diploma’s en certificaten nutteloos.”

Op het vijfde: “Identiteit maakt mensen vatbaar voor de toepassing van de wetten van het land. Identiteit maakt het mogelijk om mensen verantwoordelijk te stellen voor de consequenties van hun daden.”

Op het zesde: “Zonder identiteit weet niemand wie iedereen is.”

Op het zevende: “Zonder identiteit geen identiteitspapieren, geen paspoort, geen rijbewijs, geen koopaktes, geen verzekeringen, geen eigendomspapieren, geen bevolkingsregister, geen lidmaatschap van de vakbond, geen titels, geen eredoctoraten kortom.., zonder identiteit besta je niet.”

Toen was het woord weer aan de Nar: “Het is duidelijk dat deze zeven hooggeschoolde afgevaardigden geen eensluidend begrip hebben over het eigenlijke belang van identiteit voor de persoon zelf. Wel zijn zij het eens over het belang van identiteit voor alles, behalve voor de persoon. Ik neem hen dat niet kwalijk. Maar wel plaats ik vraagtekens. Is het belangrijk om ons een identiteit te geven waarvan tot dusver alleen vaststaat dat het van belang is voor het economische proces? Is het mogelijk dat een vaste identiteit wellicht fixerend en verstikkend zou kunnen werken op de ontwikkeling van de essentie van de innerlijke mens? Is hier wellicht meer onderzoek nodig?”

Het gezicht van de stadsnar betrok en hij keek bezorgd naar de zeven leden van de commissie om zich vervolgens plotseling om te draaien en de vele mensen op de publieke tribune, met zijn linkerhand naar de commissieleden wijzend, op vertrouwelijke toon toe te spreken met de woorden: “Is het niet vreemd dat zij het niet eens kunnen worden over iets dat ieder mens geacht wordt te hebben, terwijl zij eensgezind vinden dat ik de staatsveiligheid ondermijn? Is het niet vreemd dat ik terecht sta omdat ik beweerd heb dat zij verward zijn en niet weten wie zij zijn en dus niet in staat zijn om ons de waarheid te vertellen over dingen die werkelijk belangrijk zijn voor ons als mens, als levenskans?”

Toen het tumult in de Ridderzaal was bedaard was het de beurt aan de commissieleden om verschillende vlammende betogen te houden. Geen van de betogen was gunstig voor de stadsnar van Utrecht. Ook de stemming op de publieke tribune sloeg om. De meeste mensen kregen de indruk uit de pleidooien van de commissieleden dat de nar eigenlijk ijverde voor radicale afschaffing van de persoonlijkheid, van een eigen stijl, van unieke kleren en zelfs van het hebben van een eigen mening.

En zo raakte de arme nar meer en meer geïsoleerd in zijn opvattingen. Zijn woorden werden handig verdraaid. En zo kwam het dat bijna geen mens meer wilde of kon getuigen ten gunste van de stadsnar van Utrecht, die onbeweeglijk en schijnbaar onaangedaan aan een tafel zat te wachten, met voor zich een pen en een leeg vel papier.

Tegen het einde van het proces riep hij een leerling van de School voor Narren. Deze moedige, jonge vrouw was de enige die nog bereid was om als getuige deskundige te spreken voor de zaak van de stadsnar. Hoewel twee narren in een proces verboden was, liet de koning in dit proces bij uitzondering een leerling-nar toe.

Zij hield het volgende pleidooi: “Identiteit is een mysterie. Identiteit drukt zich niet uit in de vorm van ons lichaam, onze kennis, ons bezit. Het heeft vele lagen en verandert voortdurend. Het is altijd sprankelend, smakelijk, kleurloos en geurloos. Altijd fris, calorievrij, zonder nasmaak of bijsmaak. Het is de substantie die nodig is voor al het menselijk leven op aarde. Sommige mensen kunnen maanden zonder voedsel en dagen zonder water, maar er is er geen die zonder identiteit kan. Identiteit is de universele vormer, omvormer en oplosser en schept de voorwaarden voor alle gelukkige of ongelukkige situaties in de wereld. Zo sterk is de adhesie van de identiteitsmoleculen dat, zelfs als we denken dat we elke vorm van identiteit verloren zijn, anderen ons nog steeds duidelijk kunnen herkennen en identificeren. Niet aan ons lichaam, niet aan ons geslacht, niet aan onze nationaliteit of onze bankrekening, maar soms alleen aan het licht in onze ogen. Identiteit kent geen fixaties, zoals het karakter. Het is een hogere kunstvorm waarin wij onszelf boetseren naar het evenbeeld van ons hoogste streven. Identiteit is ‘werk in uitvoering’, geen eindresultaat. Het is een proces, een plasma, iets dat wij onszelf beloven te zijn of te worden.”

De stadsnar glimlachte bemoedigend naar zijn studente en liet het pleidooi registreren als het enige bewijsstuk in zijn zaak. En hoewel de zaak verloren werd en de stadsnar uiteindelijk veroordeeld werd tot een lange taakstraf voor het algemeen nut, waren de veranderingen niet meer tegen te houden.

Als laatste facet van dit verslag hebben wij nog de hand weten te leggen op een pamflet dat de stadsnar kort daarna uitdeelde in de kantine voor taakgestraften, waarop hij zijn eigen antwoord op de vraag uiteenzette:

Wie ben ik? Ofwel: waarom identiteit belangrijk is?

  1. Identiteit is een gereedschap om ervaringen bewust te maken.
  2. Identiteit is de samenhangende condensatie van bewuste keuzes.
  3. Identiteit is een interface die de dingen van onze keuze harmonieus maakt of niet.
  4. Identiteit is een dynamisch vertaalstation voor het onbekende.
  5. Identiteit is niet iets om te bezitten, maar om te gebruiken, om te veranderen en te ontwikkelen.
  6. Identiteit is een hogere kunstvorm.
  7. Naar het evenbeeld van wat scheppen wij onze identiteit?
  8. Identiteit is veel meer wat wij niet zullen doen, om wat we wel zullen doen mogelijk te maken.
  9. Identiteit is de integriteit van ons persoonlijke palet van de rollen die we vervullen.
  10. Identiteit is de manier waarop wij reageren op dat wat nodig en belangrijk is.
  11. Identiteit is niet wat we werden door de tijd, onze nationaliteit en religie, de school, onze vrienden en ouders, maar wat we zijn door hoe we zelf op al die dingen reageren..
top of page
Copyright 2001-2019 De Template Stichting, alle rechten voorbehouden.

Deze pagina is geprint d.d. maandag, 16 september 2019
van http://www.templatenetwork.org/topaz/14/nl/08.html

Uw aanmeldingen, brieven, vragen en adreswijzigingen kunt u sturen naar:

Template Stichting
T.a.v. Topaz
Wassenaarseweg 75/210
2223 LA  KATWIJK (ZH)
 
Telefoon: 071 - 514 0152
Telefax: 071 - 514 4382
E-mail: topaz@template.nl
Website: www.template.nl